Geschiedenis

De IJslandse hond stamt af van de honden die de Noorse vikingen mee namen toen zij IJsland koloniseerde. De ijslanse hond bewaakte het erf en haalde de schapen uit de bergen. In de 19de eeuw is het ras bijna verdwenen van Ijsland door epidemieën, hongersnood en natuurrampen. Dankzij de inspanningen van een Engelsman met interesse in IJsland en kynologie is het ras behouden gebleven en in 1969 door de FCI erkend.

 

Het ras

De IJslandse hond valt in groep 5: Keesachtigen en oertypen. Het is een Noordelijke Spits die iets langer is dan hoog, heeft rechtopstaande oren en een gekrulde staart die op de rug rust. De schofthoogte ligt tussen de 40 en 50 cm en weegt tussen de 10 en 20 kilo. Alle vachtkleuren zijn toegestaan zolang er maar één kleur overheerst. Raad van beheer omschrijft het karakter als: “Levendig, goedaardig, vriendelijk, waaks zonder enige agressiviteit”.